September 1919

SEPTEMBER 1919.

Vliegkamp De Kooy nabij  Den Helder nam gaandeweg in bekendheid toe. Dit marinevliegterrein dateert van het einde van de Eerste Wereldoorlog in een tijd, dat de marine meer en meer gebruik ging maken van vliegtuigen. Tot 1918 fungeerde Soesterberg als opleidingscentrum voor landmacht en marinevliegtuigen. Maar toen de capaciteit van dit vliegveld onvoldoende was, zocht de marine naar een eigen plek voor het beginnen van een eigen basis voor in eerste instantie landvliegtuigen. Op plus minus 6 kilometer afstand van Den Helder, in de polder Koegras, vond men aan de Rijksweg een geschikte plek voor de vestiging van het marinevliegkamp. De lokale media schonk geen aandacht aan de ingebruikname van dit vliegveld op 7 oktober 1918, vanwege de geldende veiligheidseisen. Immers de Eerste Wereldoorlog zat in een beslissende eindfase en het schrijven over militaire aangelegenheden was ook in Nederland onderworpen aan censuur. Gelijktijdig met de oprichting van de Marine Luchtvaart Dienst (MLD) werd ook vliegveld ‘De Kooy’ geopend voor jachtvliegtuigen. Omdat de vliegschool tot grote bloei kwam werd ook het materieel uitgebreid. En in afwijking van de Franse ‘Farman 22’ en de Zweedse ‘Thulin’ toestellen, beiden konden een topsnelheid van 100 kilometer per uur halen, had De Kooy  ook de beschikking over jachtvliegtuigen van Nederlandse makelij.

De Nederlandse Automobiel- en Vliegtuigfabriek stelde als proef een eenpersoons dubbeldekker, de Spijker V-, ter beschikking.  Het was al met al een spannende tijd die vol avontuur zat, vliegers werden door schade en schande wijs en velen moesten hun ‘waaghalzerij’ met de dood bekopen.

 


Personeel ‘De Kooy’ in 1917.

 


Technische staf ‘De Kooy’.

 


De Brandenburg op ‘De Kooy’.

 

De marinebegroting voor 1918-1919 voorzag in een uitbreiding van de opleiding tot vliegenier, men richtte zich hierbij op Anthony Fokker die, als bouwer van les- en gevechtsvliegtuigen, beschikte over heel veel kennis. Door ernstige ongelukken met ‘Spijkers’ was het noodzakelijk om nieuw en deugdelijk materiaal aan te schaffen. Men bestelde achttien ‘S-111’ toestellen maar die bleken slechts kort een correcte keuze te zijn. Het laatste exemplaar ging in 1940 pas naar de schroothoop. Zo had men naast de ‘Spijkers’ wel dertig ‘CV’ toestellen in gebruik.

 

De overbekende koek- en banketbakkerij J. Verfaille aan de Spoorstraat 67 werd verbouwd. De grondlegger van dit bedrijf Johannes Verfaille (1845-1915) bezat sinds 1870 al een banketbakkerij en het verhaal gaat, dat zijn vrouw dagelijks op de laatste trein wachtte voor zij de winkel sloot om de allerlaatste klanten van die dag te kunnen opvangen. Want vanuit de zaak kon zij de trein zien aankomen omdat er tussen  de winkel en het station onbebouwd land lag. Vanaf 1910 zette zoon Johannes (1866-1947) de zaak voort en hij liet in 1919 de nodige verbeteringen aanbrengen zoals een moderne hete luchtoven en een volslagen nieuw interieur. De specialiteit van Verfaille was het schuimgebak met mocca-crèmevulling, opgespoten met slagroom en met bovenop een stukje ananas. Deze lekkernij kostte wel 12½ cent wat voor die tijd een enorme prijs was. Eveneens was Verfaille de enige nogafabrikant in Noord Holland en tijdens de grote tentoonstelling in 1925, in de voormalige Atjehloods, stond hij hier met een nogastand. Ook de jodenkoeken vonden gretig aftrek bij de manschappen van de marine, de koekblikken waren beplakt met paars-wit papier met het opschrift: ‘Het Witte Paard, Eerste Electrische Banketbakkerij in Den Helder’. Jarenlang heeft er in de etalage van Verfaille een van gips gemaakt steigerend paard gestaan die in toom gehouden werd met rood lint door een mannenfiguur.

 

De scheepvaart was bezig om zich geleidelijk aan te herstellen, zo zuiverden Duitse, Engelse en Nederlandse mijnenvegers de kuist van mijnen die tijdens de oorlogsjaren door oorlogvoerende mogendheden hier gedeponeerd waren en direct en indirect de oorzaak waren van ongelukken en strandingen.

Nadat de wind weer was gaan liggen hervatte zeventien Duitse boten, die al weer enkele dagen op de rede lagen vanwege het slechte weer, hun werkzaamheden met het ruimen van mijnen. De in haast aangeknoopte relaties lieten zij voor wat het was ondanks dat, de laatste dagen voor hun vertrek, verscheidene opvarenden zeer emotioneel raakten. Belastingambtenaren hadden op één der schepen beslag gelegd op enkele duizenden marken, begrijpelijk tot groot ongenoegen van de manschappen. Het publiek trok begrijpelijk partij voor de slachtoffer(s).

Men begreep dat die verdrukte mannen er alles aan gelegen was om, om vrouw en kind in het leven te houden, zoveel mogelijk handel naar Duitsland wilden uitvoeren.  Maar er bestond nog steeds een uitvoerverbod en ter handhaving hiervan waren er Rijksambtenaren aangesteld voor het toezicht houden op die gestelde bepalingen.

 

Marinus Vermooten

                        

2 reacties op “September 1919
  1. Hijneken schreef:

    Heerlijk om te lezen, dankjewel Marinus.

  2. Petit Saya schreef:

    Daar sluit ik mij helemaal bij aan!