NOVEMBER 1918

In Nederland stonden in de herfst van 1918 zo’n 10.000 soldaten paraat voor het geval dat ons land betrokken zou worden in de oorlog. In de troonrede werd nog gesuggereerd dat er spoedig een demobilisatie zou komen. Maar op 22 oktober 1918 vroeg de opperbevelhebber van land- en zeemacht om 48.000 soldaten extra. Echter een dag later trok hij dit verzoek in, maar bepaalde wel dat de verloven moesten worden ingetrokken en dat men slechts eenmaal per 6 weken naar huis mocht. Dit voorstel werd klakkeloos door de minister van defensie overgenomen. De situatie voor de soldaten toen was niet bepaald rooskleurig en  de huisvesting uiterst primitief. Vaak moest men slapen op een strozak van een ander op een stenen vloer. Met het voedsel was het net zo min goed als bij de burgerij, veel eten verdween onderhands. Ook de medische verzorging was ronduit slecht, binnen een groep stierven vaak veel soldaten. Dat alles werd zonder meer geaccepteerd maar kwam niet aan de vrije tijd van een soldaat,  het hebben van verlof was iets ‘heiligs’. Dat ontlokte de Tweede Kamer de uitspraak: “Ge kunt een soldaat drillen en desnoods een week in de pot stoppen, maar als ge aan zijn verlof komt dan is dat het ergste waarin ge hem treffen kan, dan spring hij uit den band”.

Tijdens de mobilisatie diende het Galgenveld als tentenkamp voor de soldaten.

De uit drie soldatenverenigingen ontstane ‘Vereniging Bond van Dienstplichtigen’ telde in 1918 ongeveer 7000 leden. Hoewel men zei slechts informatie te verstrekken, werd de Bond op alle manieren tegengewerkt uit  angst, dat de macht in het leger door soldaten zou worden overgenomen. Het was bijna revolutie in Nederland en men wilde het leger inzetten tegen de stakers en demonstranten. Dus begrijpelijk dat men met wantrouwen naar de Bond keek, zelfs het onschuldige Bondskrantje ‘De Blijde Wereld’ werd op sommige kazernes verboden. Het actieprogramma van de Band luidde als volgt:

  1. Een regeling van de financiële vergoeding voor de gezinnen van militairen, gebaseerd op het standaardloon van de vakvereniging (later bekend geworden als de kostwinnaarsvergoeding).
  2. De verlofregelingen had als eis één week per maand vrij te zijn.
  3. Verbetering van zowel de kazerne als de voeding en met medezeggenschap van iemand uit de groep.
  4. Goede kantines met inspraak van de soldaten.
  5. Vrijheid van vereniging, vergadering en van verspreiding van geschriften.
  6. Verhoging van de soldij.
  7. Beperking van het militaire groeten.
  8. Vertegenwoordiging van soldaten in de Krijgsraad en wijziging van het strafstelsel in het leger.
  9. Afscheiding van de militaire rechtspraak in vredestijd.

Een groot deel van deze eisen was zelfs in begin jaren zeventig nog niet ingewilligd. Hieruit kon men concluderen hoe klein de bereidwilligheid was om iets te veranderen ten faveure van de gewone soldaat.

Vanwege de vele Spaanse griep gevallen, die ook in Den Helder ernstiger vormen aannam, achtte de Gezondheidscommissie het raadzaam een waarschuwend woord tegen de bevolking te spreken.  Men wees op de zeer besmettelijke griep en hoe gevaarlijk het kon zijn om zich in de nabijheid van een zieke op te houden. Het bezoeken van een schouwburg, bioscoop of andere openbare ruimtes kon ook gevaar opleveren. Verder adviseerde men om goed sluitende kleding te dragen omdat dames, vanwege het modebeeld, een groot risico liepen met laag uitgesneden halzen. In november 1918 telde Den Helder 82 mensen die aan de griep overleden waren.

Pantserschip Hr. Ms. “Holland”.

Nederland haalde op 11 november 1918 opgelucht adem toen bleek dat de Eerste Wereldoorlog ten einde was. Al diezelfde dag sprak Pieter Jelle Troelstra, fractieleider van de SDAP, in Rotterdam over revolutie en eiste van de Tweede Kamer dat zij de macht moest overdragen aan de arbeiders. Je kunt dus stellen dat het bijzonder roerige dagen waren, ook een aantal matrozen uit Den Helder raakte opstandig. Zo daagde Teun Glaaser de militaire autoriteiten uit met het hijsen van een rode vlag. Volgens de rapportage van de commandant van de Hr. Ms. “Holland” zag de stoker 2eklasse, toen niemand op het dek was, kans om een rode seinvlag uit het vlaggenkastje te halen en die aan de lijn van de voorste mast te hijsen. Hierop gelastte de onderofficier Glaaser die vlag direct neer te halen en dit incident speelde zich af in amper 2 minuten tijd. Later vertelde Teun Glaaser de vlag gehesen te hebben om propaganda te maken voor het socialisme. Voor zijn actie werd Teun gearresteerd, kreeg 14 dagen strafdienst en werd vervolgens ontslagen met als reden, wangedrag en verregaande plichtsverzaking als militair.

Ook voor commandant Alberda was het een hectische tijd.  Met een proclamatie nam hij stelling tegen het gerucht dat de marineleiding niets ondernemen zou als de revolutie zou uitbreken. Een gerucht dat in Den Haag gehoord werd. Waar men ook hoorde dat matrozen zich meester van schepen hadden gemaakt. Hierop werd meteen een officier naar Den Helder gestuurd om een nader onderzoek in te stellen. De man schreef op 19 november 1918 in zijn rapport aan de opperbevelhebber van land- en zeemacht de volgende niet mis te verstane woorden:

“Er zijn aanwijzingen te vermoeden dat de matrozen zich, na het meester maken van de schepen, zouden trachten hiermee op te stomen naar Amsterdam en Rotterdam ten einde in deze grote arbeiderscentra mee te werken aan de opstandige beweging. Er dienden maatregelen te worden getroffen om elke poging hiertoe te verijdelen en mochten die niet beletten dat een schip toch zou uitvaren, dan hadden de forten ‘IJmuiden’ en ‘Hoek van Holland’ opdracht, namens de regering, bij nadering van een Hollands oorlogsschip met een rode vlag in top, die gelijk de grond in te boren”.

Begrijpelijk dat Alberda het benauwd heeft gehad toen hem, via de commissaris van politie in Den Helder, een bericht afkomstig van de procureur-generaal ter hand werd gesteld waarin stond, dat er rekening mee diende te worden gehouden met ‘een mogelijk binnendringen van ongewenste Russische schepen’. Hierop ontbood de commandant op 12 november 1918 de hoofdbesturen van de Bonden van minder marinepersoneel, onderofficieren en korporaals. Hij wilde nu wel eens weten in hoeverre hij onder bepaalde omstandigheden op het personeel van de vloot, zij die onder de rang van officier vielen, kon rekenen. Het antwoord wat hij hierop kreeg kwam vrijdags maar dat zal hem niet gerustgesteld hebben, want de hoofdbesturen lieten hem weten dat op zijn vraag in het algemeen, geen antwoord gegeven was.

Commandant Alberda wachtte het antwoord niet af en besloot op zijn bevel de vloot te ontwapenen en de schepen onklaar te maken. De houding van de vlagofficier hield een ernstig gezichtverlies voor de regering in. Vandaar dat Alberda op 29 november 1928 uit zijn functie ontheven werd.  De minister van marine W. Naudin ten Cate gaf op 24 december 1918, naar aanleiding van Kamervragen, te verstaan dat over het opbergen van onderdelen van kanonnen en geweren vooraf geen overleg was geweest met het departement. Het lag dus voor de hand dat het ontwapenen van de vloot op ‘goed gezinden een grievend eindruk zal hebben gemaakt’. De kritiek van de Kamer leidde er tenslotte toe dat minister Naudin ten Cate, nog voor Alberda Den Helder als commandant verliet, van zijn taak werd ontheven, zelf diende hij in februari 1919 zijn ontslag in.

Na de demobilisatie van de troepen vaardigde het gemeentebestuur een verbod uit dat tijdens de demobilisatie de cafés gesloten moesten zijn. Er waren trouwens plaatsen in de regio waar geen verbod was, dus bestond voor de soldaten de mogelijkheid om elders drank te kunnen drinken. Het liet zich dus raden wat hiervan de gevolgen konden zijn. Soldaten konden zich zat drinken omdat hun afzwaaien niet lang meer op zich liet wachten. Vandaar dat het Drankwerkcomité op horecaondernemers buiten Den Helder een dringend beroep deed aan huiswaarts kerende soldaten geen drank te schenken. Hiermee zouden ze de jongens een dienst bewijzen maar ook meewerken aan het handhaven van rust en orde in deze toch al moeilijke dagen. De toch al verhitte gemoederen, zeker na het langdurige verblijf in de kazerne, waren meer dan ooit vatbaar voor de prikkels van alcohol.

 

Marinus Vermooten

Geplaatst in Den Helder 100 jaar terug
1 Reactie op “NOVEMBER 1918
  1. HZdwg schreef:

    Het woord “vakvereniging” was, nog tot op de laatste dag dat ik actief bij de marine was, bij de officieren een scheldwoord. Het idee dat de KVMO, Vereniging van Marineofficieren, een soort vakvereniging zou zijn wierpen de meesten ver van zich af. Terwijl de KVMO toch ook aangesloten was bij een vakcentrale (CMHA), maar de meesten wisten dat niet of wilden dat niet weten. Een marineofficier werkt niet allen bij de marine, hij ís de marine, hoorde ik sommigen zeggen.
    Maar in recente publicaties van de KVMO worden er geen doekjes meer om gewonden dat de vereniging gedwongen is zich op te stellen als verdediger niet alleen van de belangen van de marine, maar ook van de marinemensen, inclusief de officieren.

Geef een reactie