OKTOBER 1918

De Spaanse griep
Op donderdag 3 oktober 1918 liep de HD-12 achter de Haaksgronden op een mijn, de 53 jarige schipper Okke Post, zijn 24 jarige zoon Pieter en zijn 19 jarige zoon Albert vonden hierbij de dood. Toen de ramp zich voltrok waren ze aan het vissen buiten het territoriale gebied. Nog niet zo lang hiervoor had men de mijnen daar gelegd want nog nooit eerder had men hier een mijnenveld getroffen. De mijnen waren van een nieuwe constructie, zo zaten er aan alle kanten op de aan gebrachte voelhorens glazenbuisjes gemonteerd die bij de geringste aanraking tot ontploffing kwamen. Waarschijnlijk was de HD-12 in brokstukken in zee geploft want na verloop van tijd viste de HD-168 een brokstuk op. In 1918 hadden vissers het niet makkelijk, want meer dan ooit gold de door Herman Heijermans gebezigde uitdrukking: “De vis wordt duur betaald”. Het afgezette gebied in de Noordzee was rijk aan vis, meer vis dan dat er in de smalle geul langs de kust zat. Dus heel begrijpelijk dat sommige vissers probeerden iets extra’s binnen te halen, en dat zij daarbij risico’s liepen bewees dit tragische ongeval van de familie Post.

In Den Helder heerste ook de Spaanse griep, hoewel het verloop van de ziekte hier minder ernstig was en de meeste sterfgevallen in Amsterdam vielen. Wel waren hier enkele complicaties te zien zoals longontsteking. In de week van 20 t/m 26 oktober 1918 overleden er in Amsterdam 225 personen aan longontsteking, terwijl een week eerder de teller slechts 101 personen aangaf. Het aantal slachtoffers was, zoals officieel bevestigd, dus verdubbeld.

Kustgeschut
In de week van 11 t/m 18 november 1918, zou de inlijving van dienstplichtigen, die aan de Zeemilitie waren toegewezen met lichting nummer 1010, plaatsvinden maar dit werd tot nader order uitgesteld. Want door de griep epidemie werd het samenbrengen van dienstplichtigen niet wenselijk geacht.

Dat gold eveneens voor de 1ste oefening van zeemiliciens en landstormplichtigen. Ook diegene die absoluut toch in die week wilden worden ingelijfd werd geen uitzondering gemaakt. Nee, zodra de omstandigheden het toelieten zou dit aan alle belanghebbenden worden kenbaar gemaakt.

 

Kustgeschut in 1918 bij Den Helder.

 

Vakschool voor meisjes aan het Havenplein

De Vakschool voor meisjes aan het Havenplein.

Op woensdag 30 en donderdag 31 oktober 1918 hield men in de Vakschool voor meisjes op het Havenplein een tentoonstelling waarop werkstukken van leerlingen waren te zien.  Meisjes werden hier vanaf 1917 onderwezen door deskundigen in ‘nuttige’ zaken die hen later van pas zouden komen. De meisjes kregen in de 1ste klas als opdracht, het maken van een schort naar eigen ontwerp en die te versieren met een randje. Maar zij kregen ook les in het leren stoppen en verstellen. In de 2e klaskregen zij les op de naaimachine en leerden ze zelf patronen te ontwerpen, ook kregen zij hier les in koken en strijken. Op 1 november 1916 richtte men in een statig herenhuis aan de Hoofdgracht de Vakschool voor meisjes, in feite zette men hier de naailessen van ‘Tabita’ voort. Op initiatief van de Maatschappij ‘Tot Nut van het Algemeen’ startte de school met 36 leerlingen verdeeld over twee klassen. Het bestuur van de school had het in eerste instantie niet makkelijk, veel ouders vonden het niet belangrijk dat hun dochters naailessen kregen, het huishouden doen leerden ze thuis wel. Maar toen de school eenmaal draaide was het onderkomen als snel te klein en verhuisde men naar school 8, het latere lyceum aan de Hoofdgracht, hier had men de beschikking over 5 lokalen. Vanaf toen werd het vakkenpakket uitgebreid met zingen en tekenen. In 1921 ging J.W. Poort weg, Mw. M. de Boer-Jongkees nam het presidentschap over die vanaf het begin al bestuurslid was en de wensen en verlangens van zowel personeel als leerlingen kenden. Onder haar leiding kwam er nieuwbouw en in 1923 kwam de ingebruikname van het nieuwe fraaie onderkomen aan de Middenweg tot stand.

 

Vroom & Dreesmann
Vanaf 31 oktober 1918 kende Den Helder ook een warenhuis van Vroom & Dreesmann. V&D kwam in het door de Amsterdamse architect Jan Kuijt ontworpen gebouw dat met 3 verdiepingen en brede gevel behoorlijk afstak bij de andere panden van de Keizerstraat. Aan de kant van de Spoorstraat, waar de gevel veel smaller was, was eventueel ruimte voor uitbreiding. Op de begane grond zaten de heren- en stoffenafdeling en het kleinvak waar garen en band verkocht werd. Op de 1ste etage hingen de blouses, japonnen, mantels en bont artikelen alles op praktische wijze ingedeeld. Vanaf de 1ste etage, waar vooraan het privékantoor van directeur Rosenmöller zat, had men een prachtig uitzicht op het Julianaplantsoen. In 1887 besloten Willem Vroom en Anton Dreesmann, beiden manufacturiers, om samen te gaan werken. Zo werden de zaken in Amsterdam samengevoegd tot een vennootschap die beheerd werd door beide families. Kort

V&D in 1923, vijf jaar na de opening

hierna kwamen er filialen in Rotterdam, Den Haag, Nijmegen, Utrecht en Tilburg. Alle zaken heetten in eerste instantie ‘De Zon’, welke naam al snel vervangen werd door de solider klinkende naam ‘Vroom & Dreesmann’. Stap voor stap veranderde de winkels in echte warenhuizen. Per 31 oktober 1918 kreeg G.J.E. Rosenmöller de leiding over het filiaal in Den Helder dat uit twee panden bestond. Zo was het ene pand de winkel en het andere pand deed dienst als woning voor

 

 

 

G.J.E. Rosenmöller (1888-1976) met echtgenote die met zijn gezin vele jaren in het filiaal van V&D gewoond heeft.

 

Marinus Vermooten